In december 2025 publiceerde Kees de Vaal het artikel 'Zijn we veerkrachtig, weerbaar en wendbaar?'. Hierin onderzoekt hij deze begrippen en hun betekenis voor ons als persoon, voor onze organisaties en hun ecosystemen, en onze samenleving. Leo kerklaan reageert op het artikel en plaatst een kanttekening bij De Vaal's conclusies. In dit artikel geeft Everard van Kemenade zijn visie op de mogelijke werkwijzen van organisaties en voegt er een vierde begrip aan toe: antifragiliteit.
De Vaal stelt dat het Engelse 'resilience' een paraplubegrip is voor veerkracht en weerbaarheid. Hij definieert het als ‘het vermogen van mensen, organisaties en systemen om verstoringen te voorkomen, in onverwachte situaties te kunnen blijven functioneren en het effectief verstoringen kunnen herstellen.'
Toch vindt ook hij het belangrijk een onderscheid te maken. Weerbaarheid is dan volgens hem het vermogen om te kunnen gaan met uitdagingen en bedreigingen. Weerbaar betekent dat we de risico’s van externe gebeurtenissen kennen en maatregelen nemen om de mogelijke gevolgen van die bedreigingen te minimaliseren.
Kerklaan in zijn reactie probeert ook het onderscheid tussen weerbaarheid en veerkracht te verduidelijken. Weerbaarheid is de robuustheid van de organisatie die haar in staat stelt stand te houden zonder de koers te wijzigen.
Mijn omschrijving sluit daarbij aan: weerbaarheid (robustness) is het vermogen van een organisatie om schokken en verstoringen te weerstaan zonder zelf te veranderen (de structuur blijft intact).
Lees hier: 'Zijn we veerkrachtig, weerbaar en wendbaar?', door Kees de Vaal
Reactie van Leo Kerklaan: 'Veerkracht, weerbaarheid en wendbaarheid: een aanvulling op De Vaal'
De Vaal omschrijft veerkracht (resilience) als het vermogen om met crises om te gaan en hiervan te herstellen.
Mijn omschrijving van veerkracht zou zijn het vermogen om na een verstoring terug te keren naar (ongeveer) de oorspronkelijke staat of functie – absorberen en herstellen.
De Vaal noemt dat je verder kunt gaan dan herstel en direct verbeteringen kunt doorvoeren. 'Als je dak door een storm ernstig beschadigd is, is dat wellicht het moment om er meteen zonnepanelen op ter leggen.'
In mijn definitie van veerkracht echter klopt dat niet: bij veerkracht we gaan (ongeveer) terug naar de nulstand van de veer. Snelle innovatie is m.i. een voorbeeld van wendbaarheid, niet van veerkracht.
De Vaal: Wendbaarheid zegt iets over ‘de mate waarin een persoon of een organisatie kan veranderen’.
Kerklaan: wendbaarheid is de flexibiliteit om de organisatie snel aan te passen aan veranderende omstandigheden.
In mijn definitie is wendbaarheid het vermogen om veranderingen snel te signaleren en middelen, strategie en structuur daarop proactief aan te passen: niet terug naar het oude maar door naar iets nieuws.
| Niveau | Reactie op schok | Uitkomst |
|---|---|---|
| WEERBAAR | weerstaat | blijft gelijk |
| VEERKRACHTIG | absorbeert en herstelt | terug naar de oude staat |
| WENDBAAR | signaleert en reconfigureert | vooruit naar een andere, betere staat |
In een boek en diverse artikelen ontwikkelden Teun Hardjono en ik1 het concept van de vier kwaliteitsparadigma’s: het empirisch paradigma, het referentieparadigma, het reflectieparadigma en het emergentieparadigma. De paradigma’s geven vier verschillende lenzen weer, waardoor je naar kwaliteit kunt kijken.
Je kunt de begrippen weerbaar, veerkrachtig en wendbaar prima duiden in de paradigma’s. Weerbaarheid past in het empirisch paradigma. Beide zijn gericht op stabiliteit via controle. Data en kpi’s moeten afwijkingen vroeg signaleren en corrigeren, zodat het systeem intact blijft. Veerkracht past in het referentieparadigma. Beide zijn gericht op terugkeer naar een vastgestelde staat. Een norm fungeert als het ‘oude normaal’, waar veerkracht naar toe herstelt.
Wendbaarheid past in het reflectieparadigma. Beide vragen om een actief, situationeel oordeelsvermogen. De professionele organisatie past de koers aan zonder dat er slechts 1 vaste norm is.
De vraag is dan welke begrip past in het emergentieparadigma.
Taleb2 ontwikkelde 'anti-fragiliteit'. Anti-fragiliteit gaat verder dan wendbaarheid. Het systeem wordt niet alleen ‘beschadigd’ door stress, volatiliteit en chaos, maar wordt er zelfs sterker en beter van (Taleb, 2012).
|
Niveau |
Reactie op schok |
Uitkomst |
Kenmerk |
Paradigma |
|---|---|---|---|---|
|
Weerbaar |
Weerstaat, minimaliseren van verstoring |
Blijft gelijk |
Stabiliteit via controle |
Empirie |
|
Veerkrachtig |
Absorbeert en herstelt |
Terug naar de oude staat |
Normen |
Referentie |
|
Wendbaar |
Signaleert en reconfigureert |
Vooruit naar een andere, betere staat |
Professionele dialoog |
Reflectie |
|
Anti-fragiliteit |
Zoekt/benut volatiliteit |
Sterker, geleerder, nieuwer dan voorheen. |
Radicale innovatie, experimenteren |
Emergentie |
De paradigma’s bieden tevens een perspectief welke paradigma in welke context het meest effectief is4. In een stabiele omgeving voldoet het empririsch paradigma het beste, in een strek volatiele het emergentieparadigma.
Kerklaan levert een interessante bijdrage aan de discussie door de reacties van organisaties te relateren aan de mate van storing in de context. De omvang en intensiteit van de verstoring zijn bepalend. 'Bij een kleine of beheersbare storing volstaat weerbaarheid; neemt de intensiteit van de verstoring toe dan vermindert de effectiviteit van pure robuustheid en wordt wendbaarheid steeds belangrijker.'
Ik zou verder willen gaan. In tijden van beperkte verstoring en beperkte schok past inderdaad weerbaarheid. In tijden van meer verandering is weerbaarheid te star. Veerkracht is tot meer in staat, maar is reactief. Het herstelt naar het verleden, maar in echt volatiele, snel veranderende omgevingen is ‘terug naar normaal’ niet meer relevant.
Wendbaarheid levert dan een adequate reactie op zo een context. We gaan snel signaleren (sensing), snel besluiten (deciding) en middelen, mensen en structuur snel herconfigureren. Bij antifragiliteit gaat de organisatie nog verder, ze gaat zich niet alleen aanpassen, maar bewust kleine veilige experimenten en stressoren opzoeken zodat de organisatie van elke crisis leert en structureel sterker wordt.
Alle paradigma’s en alle vier de werkwijzen van organisaties hebben hun waarde, afhankelijk van de mate van verstoring, volatiliteit. Wellicht werkt een combinatie van wendbaarheid en antifragiliteit in de huidige context het beste: een patroon dat wendbaarheid (voortdurend scannen en reconfigureren) als basis heeft en antifragiele elementen inbouwt (ruimte voor experimenten, gedistribueerde besluit vorming, cultiveren van de paradox).
Noten:
[1] Bijvoorbeeld: Van Kemenade, E.A. and Hardjono T.W. (2018) “Twenty-first century Total Quality Management: the Emergence Paradigm”, The TQM Journal, 31(2): 150-166.
[2] Taleb N.N. (2012) Antifragile: Things that gain from disorder. Random House.
[3] Met dank aan Gerben Bekooij die Taleb in zijn presentatie voor de Veranderdag 2026 had verwerkt.
[4] Zie: Van Kemenade,E. (2021), Patterns emerging from the TQM paradigm in relation to the 21st century complex context within TQM Journal, TQM Journal 34(3):494-514
Auteur
Everard van Kemenade
Van Kemenade Audit, Coaching & Training.
Contact met Everard