Jouw route:  
  1. Home

De kwaliteitsdimensies van het gezin


Ben van Schijndel1 juli 2018AlgemeenKwaliteitsmanagement 

Hoe gebruikelijk is het om over een gezin te schrijven in termen van kwaliteit in een vakblad voor kwaliteitsmanagers? Dat het nu toch gebeurt is het gevolg van geanimeerde en diepgaande discussies die ik al enkele jaren voer met gewaardeerde collega’s. 

Het gaat vaak over de fundamenten van het vakgebied. Zij doen dat graag met een filosofische insteek. Ik laat me inspireren door de verworvenheden van de natuurwetenschappen en de gedragsbiologie. Dat levert vaak verschillende inzichten op. Maar over één ding zijn we het eens. Kwaliteit laat zich moeilijk definiëren, maar we kunnen leven met: “Kwaliteit is de hoedanigheid van een entiteit”.

Vorig jaar kwam een van ons op het idee om onze kwaliteitskundige kennis nu eens niet los te laten op een bedrijf of een organisatie maar op het gezin. Voor mij is dit de test of de drie kwaliteitsdimensies hierop van toepassing zijn en om te zien of wetenschap en filosofie elkaar daarbij in de weg zitten. 

Kwaliteitsdimensies

Mijn vertrekpunt ligt bij de drie kwaliteitsdimensies en de gedragsbiologie. Een wetenschappelijke benadering die niet altijd de voorkeur heeft van mijn discussiepartners. Ze zou koel en afstandelijk zijn en de neiging hebben om de dingen kapot te analyseren zonder een vervolg met een mooie synthese. Bovendien zou de aanpak via de wetenschappelijke school weinig ruimte laten voor filosoferen, beleving en mystiek. Aan de andere kant, wat is er mis met een mooie analyse met mooie onderzoeksvragen?

De eerste vraag is, wat zijn voor het gezin de kwaliteitsobjecten in ieder van de drie kwaliteitsdimensies? De tweede vraag is welke aspecten horen daarbij? Voor de gewone kwaliteitskundige vraagstukken zijn beide vragen al in verschillende publicaties beschreven. Om het geheugen op te frissen, hierna een samenvattende tabel.

Figuur 1. Kwaliteit in drie Dimensies in kwaliteitsmanagement (Van Schijndel, 2012)

 

In zo’n kille opsomming is op het eerste gezicht weinig te herkennen van de warme en liefdevolle gezinssituatie zoals we die graag zien en voor ons zelf nastreven. Toch zit die erin, verborgen weliswaar, maar om dat duidelijk te maken heb ik een aanloop nodig vanuit de evolutie- en gedragsbiologie. Daarvoor gebruik ik een tekst uit paragraaf 1.7 “De gedragsbiologische basis van kwaliteitsmanagement” uit het boek “Kwaliteitsmanagement in de Praktijk” (de Vaal et al. 2013).

 


In de gedragsbiologie is al decennialang bekend dat ons gedrag bepaald wordt door ons erfelijk materiaal (onze genen) en onze cultuur. Wie van de twee de overhand heeft kan van situatie tot situatie verschillen. Onze genen - en die van alle organismen - zijn gericht op het verkrijgen van een goed gevoel. Als seks geen prettig gevoel zou geven, zouden we allang uitgestorven zijn. Als een primaire drijfveer als honger ons niet aanzette om voedsel te vinden en op te eten en vervolgens een prettig gevoel te geven van verzadiging, waren we ook allang uitgestorven. Deze acties leiden tot beloning, iets waar we kennelijk heel gevoelig voor zijn. De ontstaansgeschiedenis heeft de mens nog iets gebracht: we zijn geëvolueerd tot sociale wezens. Als het vergaarde voedsel gedeeld wordt met groepsgenoten, dan levert dat het goede gevoel ‘waardering’ op en zijn andere groepsleden ook bereid om te delen. Dit laatste heeft zijn grenzen, want als de wederdienst uitblijft, dan is het op dit punt gedaan met het groepsgevoel. 

 

In deze tekst komen we al een aantal ‘hoedanigheden’ tegen die aangeven dat het samenleven in een groep niet alleen nodig is, maar het ook aangenaam maakt. De groep kan het stamverband zijn. Iets wat in onze westerse maatschappij geen inhoud meer heeft. Dat heeft het wel in andere culturen en had het al miljoenen jaren geleden toen homo sapiens en zijn voorgangers nog in de maak waren. Het groepsverband kan ook de familie zijn. In een stam komen meerdere families voor. Het gevoel van de familiebeleving bepaalt de perceptie van een grote of kleine familie. Meestal rekenen we daar in onze westerse cultuur toe: opa, oma, vader, moeder, kinderen, kleinkinderen, ooms, tantes, neven en nichten. Maar wie echt een grote familie wil hebben telt door tot in de vijfde graad met achterneven en achternichten of nog verder.

Het kleinste samenlevingsverband is het gezin. Hiermee zijn we bij het punt waar dit betoog over handelt. Stam, familie en gezin hebben kenmerkende aspecten in alle drie de kwaliteitsdimensies. Voor de organisatorische en relationele dimensies zijn ze eenvoudig en voor de hand liggend.

Ik zal ze noemen en toelichten. Voor de professioneel/vakinhoudelijke dimensie lijkt het op het eerste gezicht wat merkwaardig om daar kenmerkende aspecten bij te noemen omdat je gezin niet je beroep of je vak is.

Of toch….?

Ik kom daarop terug.

Relationele dimensie

Evolutionair gezien zijn er bij de mens sociale gedragspatronen ontstaan die zowel het individu als de groep voordeel bieden. Het individu vergroot met sociaal gedrag zijn overlevingskans. Als gevolg daarvan wordt de overlevingskans van de groep ook groter. Dit betekent iets voor de manier waarop we met elkaar omgaan.  In de relationele dimensie komt het goede gevoel voort uit aandacht, genegenheid en vertrouwen dat we voor elkaar willen en kunnen opbrengen. Ik zou dit aspect ‘empathie’ willen noemen.

Organisatorische dimensie

De organisatorische dimensie zit relatief eenvoudig in elkaar. Willen we goed omgaan met onze stam-, familie- en gezinsleden dan zullen we daar tijd voor moeten vrij maken. Niet alleen tijd voor je kinderen, partner en je andere familieleden, ook tijd voor jezelf en tijd voor je werkzaamheden waarmee je geld verdient en nuttige bijdragen levert aan de stam of, zoals u wilt, de samenleving. 

Het jonge, moderne gezin is een goed voorbeeld van timemanagement. Het is hard nodig als beide ouders werken, de kinderen naar school gebracht moeten worden, voor het organiseren van de buitenschoolse opvang, de kinderen naar het sportveld begeleiden, boodschappen doen, huishouden doen, administratie doen, familie bezoeken, vriendschapsbanden onderhouden enzovoorts. Mijn kinderen hebben het daar veel drukker mee dan mijn vrouw en ik dat dertig jaar geleden hadden.

Tot de organisatorische dimensie behoort ook ‘taakverdeling’. Dit is een aspect dat niet exclusief is voor het gezin. In familieverband hebben opa en oma een andere taak dan papa en mama en hebben ooms en tantes weer een andere taak. Taakverdeling is in stamverband weer anders. Dat was al het geval bij homo erectus. Mannen gingen op jacht, vrouwen pasten dan op de kinderen en ze verzamelden voedsel.

Nu leven we in onze maatschappij niet meer in stamverband. Nadat we landbouwers waren geworden (ca. 11.000 jaar geleden) en bij de komst van de industriële maatschappij (ca. 170 jaar geleden) is taakverdeling niet meer weg te denken. We kunnen niet allemaal bakker of verpleegster worden. Dit leidt tot de bevinding dat taakverdeling in samenlevingen een algemeen aspect is en niet specifiek geldt voor het gezin. 

Professioneel/vakinhoudelijke dimensie

Maar hoe zit het dan met de professioneel/vakinhoudelijke dimensie? Vader of moeder zijn is geen beroep zoals leraar, timmerman, makelaar, ICT-specialist enzovoorts. Nu kan ik me voorstellen dat u meent dat huisvrouw wel een beroep is. In het huishouden moeten veel werkzaamheden met kennis van zaken en zorgvuldig uitgevoerd worden. Als u ooit een rood truitje bij de witte was heeft gedaan, dan weet u wat er fout kan gaan. Dat kan niet alleen huisvrouwen overkomen. Ook huismannen kan dit overkomen en daar zijn er best veel van. Ik haal dit voorbeeld aan om duidelijk te maken dat we niet alleen te maken hebben met de eerdergenoemde taakverdeling maar, bij de professioneel/vakinhoudelijke dimensie, ook met de aard en het goed volbrengen van de werkzaamheden in het gezin. Ik noem dit het aspect ‘taakbesef’. Het gaat over de werkzaamheden die ik al opgesomd heb in de paragraaf van de organisatorische dimensie.

Ook in familieverband is de professioneel/vakinhoudelijke dimensie aan de orde. In de moderne familie is het geen uitzondering dat de oppas-oma’s en -opa’s met regelmaat in actie komen. Zij nemen niet de volledige taak van de ouders over. Ze hebben in hun rol als grootouder verantwoordelijkheden en taken die voor het welzijn van de kleinkinderen goed uitgevoerd moeten worden.

In de prehistorie was het eigenlijk niet veel anders. Als de mannen op jacht waren namen de grootmoeders ook huishoudelijke taken op zich en coördineerden ze het gezinsleven. In stamverband en later bij het ontstaan van wat we nu de maatschappij noemen, kwam er een vergaande taakverdeling. Zo ontstonden beroepen met hun eigen professioneel/vakinhoudelijke dimensie.

Het gezin als bijzondere eenheid

Uit het voorgaande kunnen we opmaken dat we in een merkwaardige situatie terecht zijn gekomen. De hiervoor genoemde aspecten van de drie kwaliteitsdimensies van toepassing zijn op zowel gezin, familie en stam. Dat roept de vraag op of er aspecten zijn die wél specifiek zijn voor het gezin.

Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we terug naar de fundamenten van de evolutie- en gedragsbiologie. Onder onze naaste verwanten bij de primaten is de mens de enige soort die er een gezinsleven op na houdt. De orang-oetangs zijn solitairen, terwijl gorilla’s, chimpansees en bonobo’s in groepsverband/stamverband leven.  

Bij de mens is het gezin de regel. Dat moet evolutionaire voordelen hebben, anders was deze samenlevingsvorm alweer verdwenen of was ze nooit ontstaan. Alle evolutiebiologen zijn het daarover eens en wijzen op dezelfde voordelen.

Twee van hen, Dick Slagter (2012) en Mark Nelissen (2009) hebben dit wel heel mooi en gedegen beschreven. Ik vat de voordelen voor u samen:

  • De zekerheid van een sekspartner. Afgezien van het feit dat de bonobo hier een andere draai aan geeft, geldt voor de meeste mannetjes in een groep dat ze nauwelijks aan de beurt komen als de alfa-man goed oplet. Neemt niet weg dat er onderaan de apenrots stiekem gepaard wordt.
  • De grotere zekerheid dat de nakomelingen van de man van hem zelf zijn en niet van een passant. Onze zelfzuchtige genen (Dawkins, 1976) hebben ons zo geprogrammeerd dat we ze door willen geven aan het nageslacht.
  • Voor de vrouw is de zekerheid van een sekspartner minder belangrijk. Er zijn altijd wel mannetjes die er zin in hebben. De zekerheid zit wel in de bescherming die ze van haar man krijgt. Als ‘kostverdiener’ levert hij zijn bedragen aan voedselvoorziening, veiligheid voor zijn kinderen en bescherming. Bescherming o.a. tegen opdringerige mannetjes waar ze niets van moet hebben.

Deze paragraaf begon met de vraag wat er nu speciaal is aan de professionele dimensie van het gezin en onderscheidend is van familie en stam. Het antwoord is het aspect relationele zekerheid met seks, bescherming en nakomelingen als een product/resultaat. Maar hoe komt dat eigenlijk tot stand? Hoe ontstaat dit en hoe gaat dat in zijn werk?

Om dat te begrijpen moeten we weer terug naar de evolutie- en gedragsbiologie. Ik kom daar zo op terug, maar geef eerst een samenvatting van het resultaat van de verkenning van de aspecten van de drie kwaliteitsdimensies in de gezinssituatie. 

 

Figuur 2. Kwaliteit in Drie Dimensies in de gezinssituatie

 

Als je naar bovenstaande figuur kijkt, dan zien we nog steeds een degelijk en rationeel overzicht, maar wel toegesneden op het gezin. Maar waar zitten dan de liefde, de passie, de emoties? Om daarachter te komen moeten we kijken wat voorafgaat aan de gezinsvorming. Dat begint op het moment dat een man en een vrouw  elkaar ontmoeten. Op dat moment gaat de seksuele selectie, die Darwin in 1871 aan zijn evolutietheorie toevoegde, zijn werk doen. Zij vindt hem lekker ruiken, hij valt op haar symmetrische gezicht, zij herkent zijn krachtige lichaamsbouw, hij ziet haar rondingen met de ideale verhoudingen, ze vinden elkaars stemgeluid prettig. Voeg daar de prikkel aan toe dat ze van elkaar ontdekken dat ze goede maatschappelijke posities hebben , dan heeft de seksuele selectie er weer voor gezorgd dat ze onbewust (!) gezonde nakomelingen, zorg en bescherming in het vooruitzicht hebben.

Al die prikkels zetten de hormoonproductie in werking. Die twee mensen worden verliefd en gaan met hoge wederzijdse verwachtingen het gezinsleven in. Het zijn verwachtingen die betrekking hebben op alle aspecten van de drie dimensies (zie figuur). Zolang die verwachtingen uitkomen, al dan niet na een reflectie en een leermoment, is er niets aan de hand. Dat voelt als een beloning. Daar zijn we, zoals eerder gezegd, gevoelig voor en dus herhalen we die. Succes verzekerd! Je verwacht dat jouw partner dat gevoel van geluk en waardering met jou deelt en dat zij haar best gaat doen om jouw verwachtingen te laten uitkomen. Lukt dat, dan bevestigt dat de band die aangegaan is en geeft als emotie een prettig gevoel. Maar als de ‘wederdienst’ uit blijft dan doet dit afbreuk aan het saamhorigheidsgevoel. Dan is het leed geschied en geeft dit als emotie een onprettig gevoel. Die prettige en onprettige emoties kunnen zich voordoen in alle drie de dimensies. Het kan bijvoorbeeld seksualiteit, taakverdeling of aandacht betreffen. Goede seks verbindt, maar is niet alleen bepalend voor een duurzame relatie. Aan de andere kant kan slechte of teleurstellende seks het einde van een relatie betekenen. Goedele Liekens schreef hierover in het AD van 14 september 2017: “Bijna 1 op de 3 vrouwen overweegt haar partner te verlaten als er sprake is van gebrek aan orgasmes”.

In een stabiel gezin is wederzijds geven en nemen met elkaar in evenwicht. Het geeft de partners een goed gevoel. Hoogtepunten zullen ongetwijfeld worden afgewisseld met dieptepunten. Hoogtepunten verstevigen de band in het gezin omdat de verwachtingen uitkomen. Dieptepunten werken omgekeerd. 

De wetenschappelijke en de filosofische benadering 

De theorie van Kwaliteit in Drie Dimensies is een wetenschappelijk verantwoord vertrekpunt voor een volledige analyse van de hoedanigheden van (o.a.) het gezin, omdat zij voldoet aan het complementariteitsprincipe (van Schijndel, 2016, 2017). Gecombineerd met de gedragsbiologie en de leertheorie (Van Schijndel en De Vaal, 2014) kunnen we van alle aspecten de positieve en negatieve afwijkingen t.o.v. verwachtingen onderzoeken. Via reflectie kunnen we onze goede voornemens maken. We kunnen ook in redelijke mate voorspellen welke emoties ontstaan en hoe daar weer op gereageerd wordt.

Een filosofische benadering van de ‘kwaliteitshoedanigheden’ voor het gezin vraagt om een andere insteek. Met behulp van de filosofie kunnen we kwaliteitsobjecten van organisatie, bedrijf en samenleving beschouwen en richting geven. We kunnen ambities, normen en waarden verkennen, benoemen en ze vervolgens nastreven. (Verwijzing naar GB in Sigma).

Zo’n filosofische benadering kun je ook toepassen op wat je in en met je gezin wilt bereiken. Het begint met het ontwikkelen van persoonlijke voorkeuren en ambities met bijbehorende verwachtingen. Dit kan intuïtief en beredeneerd gebeuren vanuit aangeboren en aangeleerde persoonskenmerken. Van hieruit denk je na over jezelf, je partner, je kinderen en je gezin als geheel. Je komt tot de ambities en idealen die je nastreeft op individueel niveau en op collectief  niveau, als het gaat om de plaats van je gezin in de familie, de stam of de samenleving. Wat zou jouw gezin bijvoorbeeld kunnen betekenen voor de leefbaarheid van je woonbuurt? Door welke ethiek en deugden laat je je leiden? Kortom, welke filosofische kijk heb je op jezelf en je gezin?

Wat je op individueel of collectief niveau wilt bereiken, is - met dank aan het complementariteitsprincipe – altijd weer onder te brengen in een of meerdere aspecten van de drie kwaliteitsdimensies.  Dan wordt het mogelijk met het kwaliteitskundig algoritme voor de drie kwaliteitsdimensies (Van Schijndel, 2017) na te gaan wat er van de ambities en idealen terecht is gekomen. En mocht dit maar deels of in het geheel niet het geval zijn, dan biedt het algoritme hulp bij de analyse, reflectie om na te gaan waar je succesvol bent of waar je moet uithuilen en via een leerervaring opnieuw moet beginnen. 

In dit artikel heb ik onderzocht of het mogelijk is om de kwaliteit van het gezin te beschrijven vanuit een wetenschappelijke en filosofische benadering, die voor ‘gewone’ kwaliteitskundige objecten opgaat. Dit blijkt tot mijn verrassing inderdaad het geval te zijn. In de wetenschappelijke benadering met de drie kwaliteitsdimensies, ondersteund door de gedragsbiologische en de leertheorie, kun je analyses maken, de werkelijkheid beschrijven en verklaren en in een bepaalde mate voorspellingen doen. De filosofische benadering is geschikt om richting, idealen, normen en waarden tot doel te verklaren en ze vervolgens na te streven. 

Mijn gewaardeerde collega’s die de kwaliteitskunde bij voorkeur benaderen met een filosofische insteek zijn het vast niet eens met mijn onderscheid tussen filosofische en wetenschappelijke insteek. Immers, is filosofie niet de moeder aller wetenschappen? Die discussie bewaar ik voor een ander artikel. Bedenk dat gewaardeerde filosofen als Aristoteles en Descartes geweldig konden filosoferen, maar ze sloegen de plank volledig mis in hun filosofische benadering van de natuurwetenschappen. Dus oppassen als je alleen met filosofie de verschijnselen in de kwaliteitskunde wilt beschrijven en verklaren.

 

Literatuur

Dawkins, R. (1976), The Selfish Gene. Oxford University Press.
Nelissen, M. (2009). De Bril van Darwin. Op zoek naar de wortels van ons gedrag. Tielt (Be): Lannoo.
Slagter, D. (2012). Homo Nudens, de naakte mens. Hoe een aap zijn vacht verloor en mens werd. Diemen: Veen Media. 
Vaal, K. de, Pijl, O., Schijndel, B. van (2013). Kwaliteitsmanagement in de praktijk; kwaliteit is mensenwerk: verbeelden, verbinden, verbeteren. Hilversum: Concept uitgeefgroep.
Schijndel, B. van (2012); Kwaliteit is en blijft Mensenwerk. Verschenen in Perspectieven op Kwaliteit.nl. p. 294-298. Onder redactie van Hardjono, T.W., Oosterhoorn, A.D., Vaal de C.D.R. Uitgever: Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement.
Schijndel, B. van; Vaal K. de. (2014). Leren, verbeteren en veranderen. Hoe gaat het lukken? Kwaliteit in Bedrijf nr. 5 p. 14-18.
Schijndel, B. van (2016). De praktische betekenis van kwaliteitskundige theorieën. Sigma nr. 2 april 2016 p. 38-42. Ook verschenen in Synaps (2016) nr. 38 p 33-37.
Schijndel, B. van (2017) Paradigma’s en algoritmes in kwaliteitsmanagement. Synaps nr. 39. p 35 - 39.

 

Door: Ben van Schijndel

Bron: Kwaliteit in Bedrijf, juli 2018